Rechtbank 's-Gravenhage
sector bestuursrecht
eerste afdeling,
enkelvoudig
Reg. nr. AWB 00/4340 ABW
----------------------------------------------------------------
UITSPRAAK
als bedoeld in artikel 8:77
van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb)
----------------------------------------------------------------
Uitspraak in het geding tussen
F. Willems, wonende te Den Haag, eiser,
en
de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verweerster.
Ontstaan en loop van het geding
Bij besluit van 25 mei 1999 heeft verweerster eisers recht op een uitkering krachtens de Algemene bijstandswet (Abw) herzien met terugwerkende kracht en een bedrag van f 2819,78 teruggevorderd.
Bij besluit van 18 februari 2000 heeft verweerster het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 17 april 2000, ingekomen bij de rechtbank op 18 april 2000, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 mei 2000.
Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 9 april 2001 een verweerschrift ingediend.
De zaak is op 16 november 2001 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon
verschenen, bijgestaan door mr A. Bozbey, advocaat te Den Haag.
Verweerster
heeft zich laten vertegenwoordigen door mr P. Siemerink.
Motivering
In het bestreden besluit neemt verweerster het standpunt in dat eiser vanaf 19 januari 1998 tot en met september 1998 meer heeft verdiend dan waarmee rekening was gehouden bij de bepaling van zijn bijstandsuitkering. De door eiser genoten inkomsten moeten in mindering worden gebracht op zijn uitkering. In een bijlage bij het besluit geeft verweerster een berekening van de hoogte van het terugvorderingsbedrag, waarom eiser in bezwaar had gevraagd.
In beroep voert eiser aan dat genoemde berekening onduidelijk is. De specificatie bij het bestreden besluit heeft betrekking op een andere periode dan waarvan in het primaire besluit is uitgegaan; bovendien is in de berekening drie keer de vakantietoeslag opgenomen; eiser begrijpt voorts niet waarop de "uitzendpremie" betrekking heeft. Hij acht het besluit verder in tegenspraak met het besluit van 18 februari 1998, waarin eveneens een herberekening is gepleegd; door nu weer over diezelfde periode een herberekening uit te voeren, wordt zijn rechtszekerheid aangetast. Eiser keert zich er verder tegen dat, terwijl hij steeds alle specificaties direct naar de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente stuurde, verweerster er zo lang over heeft gedaan om tot verrekening te komen. Dat er nu moet worden gebruteerd, is aan traagheid van verweerster te wijten, aldus eiser.
Het werk dat eiser in de relevante periode heeft verricht, is werk via een uitzendbureau. In de specificatie van de berekening bij het bestreden besluit staat bovenaan vermeld "Inkomsten rekening houdend met de aanspraak vakantietoeslag en de uitzendpremie van 15%". In het verweerschrift is hierover het volgende vermeld:
"Uitkeringsgerechtigden die inkomsten uit uitzendwerk hebben, bouwen gedurende de arbeidsperiode recht op 'doorbetaling loon' op (bijvoorbeeld voor toekomstige feestdagen en vrije dagen). De waarde van deze aanspraken (ook wel reserveringen genoemd) wordt geraamd op 15% van het verdiende loon. De inkomsten moeten op de bijstand worden gekort nadat deze aanspraken feitelijk te gelde zijn gemaakt. Omdat het in de praktijk niet duidelijk is op welk moment betrokkene de aanspraak op doorbetaling loon zal verzilveren, wordt het inkomen standaard verhoogt met 15%. Dat bedrag wordt als inkomsten verrekend."
Indien gedurende de periode dat iemand bijstand ontvangt, hij daarnaast arbeid verricht bij een uitzendbureau en dat uitzendbureau bepaalde bedragen reserveert, bijvoorbeeld ten behoeve van doorbetaling bij vrije dagen, kunnen die reserveringen, gelet op de artikelen 42 en 47 van de Abw, op zich vallen binnen de in aanmerking te nemen bedragen bij een herziening en een daaruit voortvloeiende terugvordering. In dit geval evenwel komt het besluit op twee punten in strijd met de Abw. In de eerste plaats hanteert verweerster een standaardpercentage van 15 procent ter bepaling van de reserveringen in plaats van uit te gaan van de werkelijk door het uitzendbureau gepleegde reserveringen. De daadwerkelijk per gewerkte week gepleegde reserveringen blijken uit de loonspecificaties, waarvan een aantal tot de stukken behoort. Verweerster had dus niet hoeven uit te gaan van een - niet nader gespecificeerde - schatting van 15 procent, maar had kunnen en naar het oordeel van de rechtbank ook moeten uitgaan van de werkelijke reserveringen. In de tweede plaats berekent verweerster blijkens meergenoemde bijlage bij het bestreden besluit die 15 procent ook nog eens over het uitbetaalde loon plus de in verband met dat werk gereserveerde vakantietoeslag. Verweerster heeft niet kunnen uitleggen waarop dat is gebaseerd. Zonder nadere motivering lijkt het in ieder geval niet zijn grondslag te kunnen vinden in genoemde loonspecificaties.
In het verlengde hiervan moet worden geoordeeld dat verweerster hier een dubbeltelling pleegt. Eerst bepaalt zij de inkomsten uit arbeid inclusief aanspraak op vakantietoeslag in verband met die arbeid en vermenigvuldigt het totaal daarvan met 1,15 en nadat de uitkomst daarvan van de bijstandsnorm is afgetrokken, trekt zij daarvan ook nog eens de hiervoor genoemde aanspraak op vakantietoeslag zelf af. Dat wil zeggen dat verweerster ter bepaling van eisers recht op bijstand 2,15 keer de aanspraak op vakantietoeslag in verband met de arbeid aftrekt.
In de berekening komen verder verschillende componenten voor die te maken hebben met vakantie. Zo wordt de aanspraak op vakantietoeslag afgetrokken. Dat is naar moet worden aangenomen de aanspraak die verband houdt met eisers werk voor het uitzendbureau. Vervolgens wordt ook een reservering vakantietoeslag afgetrokken en daarna een vakantietoeslag opgeteld. Noch in het bestreden besluit, noch in de bijlage, noch in het verweerschrift, noch ter zitting is verweerster er in geslaagd deugdelijk uit te leggen waarom die berekening zo geschiedt en waarvoor genoemde bedragen staan.
Onderaan de berekening staat een opsomming van de aflossingen die eiser al eerder heeft gepleegd en die dus in mindering komen op het totaal terug te vorderen bedrag. In de stukken is er sprake van dat ook daarnaast al aflossingen zijn gepleegd die niet in die bijlage zijn genoemd. Dat gaat om de uitstroompremie die in de beslissing op bezwaar wordt genoemd en de vakantietoeslag die blijkens gedingstuk 17.7 voor aflossing zou zijn gebruikt. Ter zitting heeft verweerster evenmin als in de stukken kunnen uitleggen of deze berekening desalniettemin klopt.
Vervolgens heeft verweerster niet kunnen uitleggen hoe het komt dat, terwijl het primaire besluit betrekking heeft op de periode van 9 februari tot en met september 1998, het bestreden besluit toch betrekking heeft op de periode januari tot en met september 1998. Een dergelijke verbreding van de grondslag van de besluitvorming in bezwaar zou in strijd komen met artikel 7:11 van de Awb, tenzij de beslissing op bezwaar en het primaire besluit ondanks de verschillen in de periode die wordt genoemd toch feitelijk betrekking hebben op verrekening van inkomsten in dezelfde periode. Dat blijkt evenwel zonder nadere motivering niet. In dit verband blijft ook onduidelijk hoe dit besluit zich verhoudt tot de herberekening die is neergelegd in het door partijen genoemde besluit van 18 februari 1998.
Ten slotte behoeven de uiteenlopende bedragen bespreking. In het bestreden besluit komt verweerster op een ander bedrag dan in het primaire besluit, maar wegens het verbod van reformatio in peius in bezwaar laat zij het lagere vorderingsbedrag in stand. Daarnaast is sprake van weer een ander terugvorderingsbedrag dat verweerster bij een invorderingsbrief van 26 mei 1999, dus een dag na het primaire besluit, aan eiser kenbaar gemaakt zou hebben. Verder komen ook in het dossier berekeningen voor die wederom afwijkingen vertonen ten opzichte van de berekening in het bestreden besluit. Gewezen zij bijvoorbeeld op gedingstuk 17.12 en dan specifiek het bedrag over de maand juni. Onduidelijk is gebleven hoe al deze berekeningen zich tot elkaar verhouden en of de uiteindelijke terugvordering nu wel of niet deugt.
Al met al leidt dit de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Na de vernietiging van het bestreden besluit, ligt het bezwaar weer "open" en begint wederom een beslistermijn overeenkomstig artikel 7:10 van de Awb, te tellen vanaf verzending van deze uitspraak. Gelet op de complexiteit van de berekening acht de rechtbank het niet nodig een kortere termijn dan daarin is vervat in deze uitspraak op te nemen.
Opgemerkt wordt dat deze vernietiging op zich nog niet betekent dat het uiteindelijke bedrag dat eiser moet terugbetalen veel minder zal zijn dan nu door verweerster is berekend. Terecht heef eiser evenwel geen genoegen genomen met de onduidelijke totstandkoming van het terugvorderingsbedrag dat voor hem een forse verplichting kan meebrengen. Aanbevelenswaardig zou het daarom zijn indien een medewerker van verweerster met eiser en, indien door laatstgenoemde gewenst, zijn gemachtigde de berekening stap voor stap zou doorlopen.
Verweerster wordt in de proceskosten van eiser veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht 2 punten worden toegekend (voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand bij het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitiing) en de wegingsfactor wordt bepaald op 1 (gemiddeld). Aangezien ten behoeve van eiser ter zake van dit beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van het bedrag van de proceskosten te geschieden aan de griffier van de rechtbank.
Beslissing
De Rechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 18 februari 2000, kenmerk 19991668/3707;
bepaalt dat de gemeente Den Haag aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten EUR 27,23, vergoedt;
veroordeelt verweerster in de proceskosten ten bedrage van EUR 644,--, welke kosten de gemeente Den Haag aan de griffier dient te vergoeden.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Aldus gegeven door mr D.A. Verburg en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2002, in tegenwoordigheid van de griffier B.D. Slotboom-Muntz.
Voor eensluidend afschrift,
de griffier van de rechtbank 's-Gravenhage,
Verzonden op: 20 maart 2002